No. 10 — OPOES UITVAART

the following proze written by ferdinand lankamp appeared on the web spring 2016. a digital cultural magazine, published by deoptimist.net. for this i was asked to make a visual.

Er waren twee Duitsers naar opoes uitvaart gekomen. De een was iets ouder dan de ander, zijn gezicht raakte al met groeven doorkliefd, een enkele grijze haar nestelde zich tussen zijn hoogblonde lokken. Zijn ogen stonden bedachtzaam, soms zelfs wantrouwend. Hij heette Peter.
 De ander was even blond, maar werd nog niet grijs. Zijn wangen waren wat papperiger en jongensachtiger. Hij praatte snel, leek altijd wat zenuwachtig, tot op het hinderlijke af. Dat was Eugen. Allebei droegen ze een vale jas, met gaten in de zakken. Het hadden broers kunnen zijn.

Over een auto of motor hadden ze voor hun reis niet kunnen beschikken, laat staan dat ze aan brandstof hadden kunnen komen. De trein was eveneens lastig. Hele trajecten lagen nog in puin, bruggen moesten worden herbouwd, gesaboteerde spoorwegen hersteld. De treinen die reden vervoerden hoofdzakelijk troepen en voorraden. Vernieling alom, aan weerszijden van de grens. De wereld smeulde nog na.
 Dus waren ze gaan fietsen. Dat ze in slechts enkele dagen tijd die immense afstand hadden afgelegd was vooral te danken aan de weersomstandigheden. Niettegenstaande wat verdwaalde wolkenpartijen had het niet geregend, stond er nauwelijks wind. Ze waren nagenoeg direct na ontvangst van het telegram vertrokken en het was ze gelukt per dag ruim honderd kilometer af te leggen. Goeddeels heuvelafwaarts, de Hollandse laagte in.

Nadat ze hun fietsen tegen het hek hadden gezet overzagen ze door de spijlen het kerkhof. Ze waren te vroeg. In de verte, onder een beuk, stond een man met een pet rustig te roken aan de rand van een vers gedolven graf. Met zijn rechterhand leunde hij op het handvat van een schop, waarvan hij het blad stevig tussen de graszoden had geplant. Met zijn linkerhand haalde hij af en toe zijn sigaret tussen zijn lippen vandaan. Verder verroerde hij zich niet. Hij wachtte. Rond zijn hoofd zweefden blauwgrijze nevelslierten.
 Hij richtte zich op, gooide zijn sigaret weg, toen een tweede man achter het naastgelegen kerkgebouw vandaan kwam. Die was iets kleiner, had ook een pet, maar had deze in de opbollende achterzak van zijn broek gestopt, waardoor Peter en Eugen zijn kale schedel konden zien. Over zijn schouder droeg hij een dik touw, dat zo zwaar was dat hij zich met stevige stappen moest voortbewegen. Toen hij naderde, zei de man bij het graf iets, liep op hem toe. Even later legden ze gezamenlijk het touw klaar rond het graf. De kale man kwam overeind en keek op naar de wijzerplaat van de kerktoren, met zijn hand in zijn zij.
 ‘Verdomd,’ zei Peter zacht. ‘Ze zijn later begonnen.’
 Eugen keek heen en weer tussen de grafdelvers in de verte, de wijzers op de kerktoren, en Peter.
 ‘Maar hoe laat?’ vroeg hij.
 ‘Dat weet ik niet.’
 ‘We zouden het kunnen navragen.’
 ‘Laten we dat maar niet doen,’ zei Peter, en hij kuchte. De grafdelvers keken een ogenblik op.
 Hij balde zijn rechtervuist. Ze hadden het juist zo precies berekend. Ze kenden de afstand tussen Utrecht en Leiden nog zo goed, en de tijd die het kostte om bepaalde intervallen af te leggen. Ze hadden besloten pas bij het kerkhof aan te komen zodra de teraardebestelling voltrokken was, zodra de grafdelvers al op het punt stonden het graf dicht te gooien. Dan konden ze, onopgemerkt, nog op opoes graf toestappen om afscheid van haar te nemen, hoefden ze haar nakomelingen niet onder ogen te komen.  Ze waren gearriveerd op het tijdstip dat ze voor ogen hadden gehad, naar schatting ongeveer twintig minuten na voltrekking van de teraardebestelling. Maar die moest nog beginnen, zo bleek. In de kerk was de rouwdienst nog niet voorbij.  ‘We kunnen een eindje gaan fietsen,’ stelde Eugen voor, ‘en later terugkomen. Als alles voorbij is.’  ‘Nee,’ antwoordde Peter bars, ‘mijn achterste doet pijn, mijn kuiten en mijn knieën zijn verkrampt. Ik wil even niet meer op die fiets zitten.’
 Hij beet op zijn onderlip.

 Ruim drie dagen eerder hadden ze het telegram ontvangen. Het was zakelijk en kort, in het Nederlands, de afzender bleef anoniem. Opoe S was dood, de begrafenis was die plek, die dag, dat uur. Strikt genomen geen uitnodiging, maar juist door de beknoptheid kwam het zo urgent over. Nu kan het nog. Nu komen. Ze hadden geen ogenblik geaarzeld.
 Dat opoe overleden was kwam niet als een verrassing. Toen ze een paar jaar eerder bij haar werden ingekwartierd was ze de tachtig al ruimschoots gepasseerd, en hoewel ze nog helder kon nadenken en in staat was tot het verrichten van eenvoudige klusjes was elke hulp die ze kon krijgen welkom. Ook als die van twee Duitsers kwam, die voor hun inwoning nog betaalden ook.

Aanvankelijk waren ze van zins geweest op tijd op opoes uitvaart te komen, om de rouwdienst te kunnen bijwonen. Van opoe hadden ze door allerlei omstandigheden nooit persoonlijk afscheid kunnen nemen, van haar nakomelingen evenmin, maar in die vervelende laatste paar maanden van de oorlog was de stemming op opoes hoeve zelden werkelijk bedrukt geweest. Ondanks de schaarste hadden ze er ook elders nauwelijks wat van gemerkt, en toen ze uiteindelijk Holland moesten verlaten stonden er tot aan de grens plukjes vriendelijke mensen langs de weg om hen uitgeleide te doen. Het moesten er duizenden geweest zijn.

Al vanaf dezelfde grens waren ze ditmaal achterdochtig nagestaard, door boeren in het weiland, door passerende volwassenen en door spelende kinderen in de wegberm. Peter had geopperd dat dit het gevolg was van hun kapsel, dat in Duitsland nog altijd heel normaal was. Nagenoeg alle mannelijk twintigers en dertigers knipten hun haar zo. Aan de bovenkant halflang, aan de zijkanten opgeschoren. Het oude voorschrift van de Duitse krijgsmacht was een gewoonte geworden, zonder dat iemand daarbij had stilgestaan.

Ze hadden besloten te verpozen in een etablissement nabij Rhenen, vroegen om koffie en een kannetje water. Toen de bestelling na een paar minuten arriveerde wierp Eugen een blik in zijn koffie, trok een vies gezicht. Hij schoof het kopje naar Peter.
 ‘Zie je dat?’
 ‘Wat?’
 Bovenop de koffie dreef een klodder wit schuim, zag Peter. Achteloos.
 ‘Iee..’ gruwde hij zacht. Hij dacht een ogenblik terug aan de voorlichtingsfilm over Holland die hij een paar jaar eerder, vlak voor zijn uitzending, samen met zijn kameraden had moeten kijken. Met enkele tientallen zaten ze in een achterafzaaltje van een oude Hessische kazerne. Het was donker, op het beeldscherm en de oplichtende sigarettenklompjes na. De zware geur van goedkope tabak gaf hem een wee gevoel in zijn maag, de toeschouwers kuchten onophoudelijk, de projector ratelde. Rivieren, polders, bruggetjes, pittoreske huisjes langs grachtjes. Duitse militairen wisselden brood, melk, tabak en chocola uit met de bevolking, die hoofdzakelijk uit blonde en atletisch gebouwde mensen bestond. Er klonk geestdriftig gekakel als meisjes in beeld kwamen, rondborstig en gedwee glimlachend.
 ‘Denk erom! De Hollander houdt niet van verspilling!’ zei de commentaarstem.

Toen ze hadden afgerekend en weer buiten stonden, ze wilden juist hun fietsen pakken, begon het Peter plots te duizelen. Zijn ademhaling werd oppervlakkig, hij keek naar de grond, naar het asfalt van de straatweg, daarna op, naar het rimpelende water van de Nederrijn en naar de eindeloze vlakte daarachter. Mozes die het Beloofde Land overziet, dacht hij, en hij werd misselijk. Hij moest een paar minuten bijkomen.
 Die avond bereikten ze Wijk bij Duurstede. Daar stelde Peter voor dat het beter was om de rouwdienst en de teraardebestelling niet bij te wonen. Te laat komen, dat was het beste, daaruit sprak de meeste nederigheid. Peter klonk treurig, Eugen durfde niets te vragen.

Nadat ze enige tijd aan het hek van het kerkhof hadden gewacht hoorden ze een diep gekraak. Een zware deur ging open. Enkele tientallen meters naast Peter en Eugen stroomde een mensenmenigte de kerk uit, de stoep langs het jaagpad op. Er klonk geroezemoes, hier en daar een bedrukte lach. Peter kneep de ogen toe terwijl hij naar de mensen keek.
 ‘Dat zijn de naasten niet,’ concludeerde hij met een knikje. ‘Die zullen nog binnen zitten.’
 Eugen bewoog zenuwachtig van de ene voet op de andere. ‘Maar het kan nu toch echt niet lang meer duren voor ze naar buiten komen?’
 ‘Ik weet het niet.’
 ‘Hoelang denk je dat die teraardebestelling duurt?’
 ‘Ik weet het niet,’ zuchtte Peter.
 Een enkeling in de menigte merkte hen op, maar er ontstond geen reuring. De mensen pakten hun fietsen, vertrokken. Binnen enkele minuten was de stoep weer leeg. Eugen klemde van ongeduld zijn kaken op elkaar.
 ‘Ik vind dat het erg lang duurt,’ klaagde hij terwijl hij heen en weer keek. Hij was juist uitgepraat toen vanuit de verte een onbestemd geluid klonk. De grafdelvers stelden zich op aan weerszijden van het graf, recht overeind. De grafdelver met de pet haalde deze van zijn hoofd, hij was in tegenstelling tot zijn collega nog niet kaal aan het worden, en vouwde voor zijn lichaam eerbiedig zijn handen in elkaar. Toen verscheen eindelijk de rouwstoet, achter de kerk vandaan. Het was een groepje van ongeveer vijftien mensen, aangevoerd door de voorganger. Peter meende een kleinzoon onder de baardragers te herkennen.
 Dirk, herinnerde hij zich, destijds een tiener die vaak op opoes hoeve langs was gekomen. Blond, met staalblauwe ogen, een robuuste kaak, aan de potige kant maar toch atletisch gebouwd. Altijd gemoedelijk, en altijd avontuurlijk grijnzend. Toen Peter hem voor het eerst had gezien, had hij onwillekeurig moeten terugdenken aan de voorlichtingsfilm over Holland: ‘De Hollanders zijn onze stamverwanten!’
 Verder zag Peter onder de baardragers nog een paar schoonzoons, en één jongeman die hij niet herkende, maar van wie hij vermoedde wie het was. De oudere broer van Dirk.
 Hij huiverde, dacht terug aan het fluitje dat hij af en toe tussen zijn lippen had geklemd. Hij had erop geblazen, meestal schel en kort, om de manschappen onder zijn bevel.. Het zweet brak hem uit, daar zag hij weer de achterhoofden, schouders en ruggen, de opgeheven handen en armen.
 En toch richtte hij even later zijn blik weer op de jongeman die hij niet herkende. Morbide nieuwsgierigheid. Wat hadden ze aangericht?
 ‘Wie is dat?’ vroeg Eugen, die verder ook iedereen had herkend.
 ‘De oudste kleinzoon, denk ik. Dat moet haast wel. Nicolaas.’
 ‘Nicolaas!’ zei Eugen met haast kinds ontzag, ‘die was altijd weg!’
 Peter knikte, staarde nog steeds naar hem. Onafgebroken. Vanaf hier was aan Nicolaas niets eigenaardigs te zien. Toen de kist met behulp van de grafdelvers naast het graf was geplaatst, klopte Nicolaas nonchalant zijn jasje af. Hij wilde zich juist bij de rouwenden aan de voet van het graf voegen toen hij, in de verte, Peter en Eugen bij het hek zag staan.
 ‘Ai!’ siste Eugen, als was hij betrapt. Peter voelde zijn hart in zijn keel bonzen.
 ‘Wilde je daarom te laat komen? Vanwege hem?’ vervolgde Eugen, nog steeds sissend.
 Peter antwoordde niet. Nicolaas zei iets tegen Dirk, die toen ook richting het hek keek. Hij wendde de blik snel af, beet zijn broer iets toe. Die hief het hoofd weer en keek Peter, over de grafzerken heen, recht in de ogen. Hij strekte zijn armen langs zijn lichaam, balde zijn vuisten. Een cherub sloeg zijn vleugels uit.
 ‘Hij ziet er niet blij uit,’ zei Eugen, maar Peter hoorde hem niet.

Vanuit de verte hoorden ze vage flarden van het stemgeluid van de voorganger. Ze probeerden wat op te vangen, het ging niet. Het graf konden ze niet meer zien omdat opoes naasten ervoor waren gaan staan.
 Toen de voorganger eenmaal uitgesproken was ontstond er wat beweging. De beide heren maakten hieruit op dat de kist in het graf werd getild, en dat de grafdelvers deze langzaam lieten zakken. Het was stil.
 De rouwenden bleven een paar minuten staan. Naast hen begon de beuk luid te ruisen. Peter keek in de tussentijd wat om zich heen: naar de kerk, naar het jaagpad langs het water, naar het kabbelende grijs van de Oude Rijn en de wuivende populieren aan de overzijde. Er hing een vage gierlucht, nu en dan dreef een wolk voor de zon langs.
 ‘Kijk!’ zei Eugen toen de rouwenden bij het graf in beweging kwamen en aanstalten maakten een stoet te vormen. Ze begaven zich langzaam richting de poort van het kerkhof, richting het hek waar de beide Duitsers stonden te wachten. De voorganger schudde nog wat handen, klopte joviaal op wat schouders, en verdween.
 Nicolaas sloot samen met Dirk de stoet af, zei nog wat tegen de grafdelvers. Het leek erop dat hij ze wat toestopte. Eerst keken de grafdelvers elkaar een ogenblik aan, schijnbaar vertwijfeld, toen richtten ze hun aandacht op de mannen bij het hek.
 ‘Er is wat loos,’ zei Peter.
 ‘Wat dan?’
 ‘Ik weet het niet.’
 ‘Maar hoe weet je dat dan?’
 ‘Ik weet het niet.’
 De stoet kwam naderbij. Peter en Eugen aarzelden. Zouden ze de paar passen naar de poort van het kerkhof zetten, om de rouwstoet te onderscheppen?
 Uiteindelijk was het Eugen die, in een voor hem zeldzame bevlieging van vastberadenheid, naar voren stapte. Peter volgde, schoorvoetend.
 De meeste rouwenden liepen zwijgend aan hen voorbij, al wierp een enkeling Peter en Eugen een steelse en grootmoedige blik toe. Bekende gezichten, die ze allemaal wel eens op opoes hoeve hadden gezien. Vooral Eugen maakte nadrukkelijk buiginkjes naar de mensen in de stoet, mompelde voortdurend ‘gecondoleerd’ in een zwaar Duits accent. Peter concentreerde zich op het tweetal achteraan.
 Dirk nam een korte voorsprong op zijn broer, als wilde hij per se als eerste bij de twee Duitsers komen. Hij kwam een enkele pas voor Eugen tot stilstand.
 ‘Mijne heren,’ zei hij plechtig.
 ‘Gecondoleerd,’ zei Eugen, en Peter zei hem na. Peter deed een stap naar voren.
 ‘Het is goed je te zien, Dirk,’ en hij stak zijn hand uit, die Dirk slapjes schudde.
 ‘Dat jullie het hebben gered..’ zei Dirk, ‘Dat had ik niet verwacht. Opoe gaf altijd hoog van jullie op.’ Zijn stem was wat koel.
 ‘O?’ zei Peter, wiens Nederlands niet goed genoeg was om de laatste opmerking te verstaan.
 ‘Opoe vond jullie aardige kerels,’ verduidelijkte Dirk, met wat meer warmte.
 ‘O ja.. Aardige kerels!’ Peter grijnsde.
 In de tussentijd had Eugen geprobeerd oogcontact met Nicolaas te zoeken. Tevergeefs: Nicolaas was achter Dirk gaan staan en keek af en toe over zijn schouder, naar de twee grafdelvers, die inmiddels ook het hek naderden. De kale van de twee liet in zijn rechterhand een sleutelbos rinkelen.
 ‘Ben jij Nicolaas?’ begon Eugen niettemin.
 Nicolaas draaide zich langzaam om. Hij was duidelijk een verwant van Dirk, maar zijn gezicht was wat langer, wat minder robuust, en zijn haar leek een slag donkerder. Er stonden diepe wallen onder zijn achterdochtig toegeknepen ogen, zijn neusgaten waren opengesperd. De cherub walgde. Beurtelings keek hij beide Duitsers aan.
 ‘Wat moeten jullie hier?’ zei hij na een paar tellen met schorre stem.
 ‘Het is fijn,’ ging Eugen verder, ‘je eens te zien. Het is fijn dat je terug bent. Gezond. Opoe vertelde veel van je.’
 Eugen wilde een hand uitsteken, maar Dirk greep zacht zijn pols vast en drukte zijn arm naar beneden.
 ‘Dit is inderdaad mijn broer Nicolaas. Jullie hebben hem nooit gezien. Hij was weg en heeft veel meegemaakt,’ zei hij zonder verwijtend te willen klinken.
 ‘Wat moeten jullie hier?’ herhaalde Nicolaas.
 ‘We komen van opoe afscheid nemen,’ antwoordde Peter waarheidsgetrouw. ‘We hebben een telegram gekregen. We zijn met de fiets hierheen gevaren.’
 Bij het woord telegram liet Dirk zijn hoofd zakken. Hij bewoog wat heen en weer, niet op zijn gemak. Onderwijl waren ook de grafdelvers bij het hek gearriveerd. Ze bleven een meter of twee achter Nicolaas staan, als wilden ze de toegang tot het kerkhof versperren. De andere rouwenden begonnen een voor een te verdwijnen.
 ‘Dadelijk sluiten de heren hier de poort,’ zei Nicolaas met een knikje naar achteren, ‘dan is de boel dicht. Begrijpen jullie dat?’
 Eugen begreep het niet; Peter wel.
 ‘We komen afscheid nemen,’ wilde Eugen verduidelijken. Hij verhief zijn stem een beetje.
 ‘De poort gaat dicht.’
 ‘Maar we hebben in haar huis gewoond. Ze was een goede vrouw. We denken nog zo vaak aan haar. We zijn met de fiets gekomen. Een lange reis.. Ze was een goede vrouw!’
 ‘De poort gaat dicht.’

‘We kennen de familie. We treuren, we wenen!’ Peter begon aan Eugens mouw te trekken, maar Eugen liet zich niet het zwijgen opleggen. In haperend Nederlands vervolgde hij: ‘In opoes huis waren we allen vrienden, daar was alles goed! We waren vrolijk, opoe was een goede vrouw. Zij hield van ons en wij hielden van haar.’ Tussendoor keek Eugen naar Dirk, die naar zijn tenen staarde.

Nicolaas hief zijn kin en sperde zijn ogen open. Een blik als een vlammend zwaard. Hij leek groter te worden, zoals hij daar stond. Hij leek werkelijk te groeien. Peter en Eugen deinsden achteruit.

 ‘De poort gaat dicht! Jullie komen er niet in!’
 De kale grafdelver sloot onder een luid gerammel de poort, stak de sleutel even in het sleutelgat en maakte toen rechtsomkeert, het kerkhof op. Zijn collega volgde hem.
 Zo stonden de twee Duitsers nog altijd buiten het hek, van kleur verschietend; Dirk, die er ook nog was, richtte zich op, zei zacht ‘Nico, Nico..’
 ‘Jullie komen er niet in! Ga heen, zeg ik. Terug naar waar je vandaan kwam! Ga heen!’
 ‘Nico, Nico..’ Dirk begon zijn broer voorzichtig opzij te duwen. ‘Het spijt me verschrikkelijk, maar jullie konden beter zo vertrekken,’ voegde hij toe.
 ‘Ik begrijp het,’ zei Peter. Eugen stamelde iets onverstaanbaars.

Door de spijlen zagen Peter en Eugen toe hoe de grafdelvers het graf dicht begonnen te gooien. Dirk had Nicolaas zo ver gekregen om weg te gaan; de Duitsers hadden moeten toezeggen dat ze zich snel weer uit de voeten zouden maken. Ze hadden de broers nagekeken toen ze het jaagpad affietsten, westwaarts, richting de kerktorens van de stad aan de horizon. De zon zakte. Weldra zou het alweer avond zijn, en donker worden.
 ‘Ik denk wel eens dat het niet overal oorlog was,’ zei Eugen. ‘Bij opoe thuis waren we allemaal vrienden. Dat was toch in de luwte?’
 Op het kerkhof werkten de grafdelvers zich in het zweet. Het geluid van hun schoppen was duidelijk hoorbaar. Zand stoof in hun gezichten, ze kuchten.
 ‘Een mens wordt niet afgerekend op wat hij in de luwte doet,’ wierp Peter tegen terwijl hij zijn fiets pakte. Hij perste zijn lippen samen, zijn mondhoeken hingen neer.
 ‘We hebben het verbruid,’ vervolgde hij, en hij zag nog eens uit over de grafzerken achter het hek. Hij maakte een brommend geluid, wilde vooral naar huis.
 ‘Laten we maar gaan,’ zei Eugen. Hij klopte Peter op zijn schouder en pakte ook zijn fiets. ‘En wees niet zo treurig. Wie weet kunnen we ooit nog terugkomen.’
 Hij grijnsde. In de verte rekte een van de grafdelvers zich uit.